Loper op zand.

Tags

, , , , , , , ,

Loper op zand.

Het zand stuif in kleine wolkjes om de voeten van het kind.

Waar het kind ook kijkt, overal is zand.

Zand en zon en wind.

Het kind begint zachtjes een lied te zingen dat het heel lang geleden geleerd heeft.

Het is een lied over zand en over zon en over wind en over het verlangen naar water.

Waar het kind ook kijkt, overal is er alleen maar zand. En zon. En wind. Geen water.

Het kind draait een rondje, stopt en begint te lopen. Gewoon rechtdoor. Alsmaar rechtdoor.

De voeten van het kind laten het zand opstuiven.

Even blijft het zand in de lucht hangen als een doorzichtig gordijn.

Dan valt het terug op de grond. Anders dan het daarvoor was.

Het kind loopt rechtdoor en volgt de zon.

Het liedje nog steeds zingend loopt het kind eindeloos door.

Als de zon onder begint te gaan stopt het kind met lopen en rust uit.

Sterren verschijnen in het donker waar de zon niet meer schijnt.

Een ster straalt helderder dan de andere sterren.

Het kind staat op en loopt in de richting van de heldere ster.

Het kind kijkt omhoog en ziet daar de andere, ontelbare sterren.

De ontelbare sterren zijn als vrienden voor het kind.
Vrienden die er altijd zijn en waardoor je je nooit eenzaam voelt.

Het kind loopt door en begin weer te zingen.

Het lied gaat nu over vrienden en vrijheid en samenzijn.

Dan stop het kind aarzelend met zingen.

Aarzelend, omdat het iets heeft gehoord wat het nog niet kent.

Een nieuw geluid vult de oren van het kind.

Een nieuwe geur vult de neus van het kind.

Het proeft een nieuwe smaak in de lucht.

De vochtige lucht. Een zoete smaak. De smaak van water.

Het kind loopt door, terwijl de maan en de zon langzaam weer van plaats wisselen.

In de oranje ochtend verschijnen de eerste bomen die het kind ooit gezien heeft.

Dan voelt het iets raars en loopt het kind voor eerst op gras.

Nog voor het kind van diens verbazing bijgekomen is hoort het een naam.

Het is de naam van het kind.

Open zee.

Tags

, , ,

Op de wijdse zee zit een man in een houten roeiboot.

Voor zover hij kan zien is er om hem heen alleen maar water.

De man zit stil, de roeispanen liggen in de boot.

De boot gaat op en neer op de onrustige golven.

De grijze wolken boven de zee zorgen ervoor dat er geen zonlicht is.

De enige geluiden komen van de golven die tegen de boot aan slaan.

Gestaag valt de nacht en nog steeds zit de man stil, in het midden van de boot op het houten bankje.

Langzaamaan begint het harder te waaien.

De wind trekt aan de kleding van de man.

Zijn haren wapperen over zijn hoofd.

De golven worden onrustiger.

Soms komt er zelfs een golf over de rand van de houten roeiboot.

De man zit nog steeds stil en beweegt mee op het ritme van de golven.

Als het helemaal donker is en niets meer te zien, boort er een lichtstraal door het duister.

En weer een.

En weer een.

Van links, naar rechts.

De man zit stil en kijkt naar de lichtstralen.

Langzaam pakt hij één roeispaan en steekt deze in de rechter dol.

Dan pakt hij de andere roeispaan en steekt deze in de linker dol.

De man kijkt nogmaals naar de lichtstralen die door het duister snijden.

Dan neemt hij de roeispanen in zijn handen en begint te roeien.

Het duurt even voordat hij een ritme heeft gevonden waarmee hij met de golfslag mee roeit en de roeispanen

niet meer in de lucht slaan.

Traag komt de roeiboot in beweging.

Het water in, het water uit. Het water in, het water uit.

De roeispanen zetten zich gelijktijdig af tegen de onstuimige golven.

De roeiboot krijgt iets meer vaart.

Na wat een oneindig lange tijd lijkt loopt de houten roeiboot vast op het strand.

De man blijft zitten.

Hij haalt de roeispanen uit de dollen en legt ze in de boot.

Dan stapt hij uit, trekt de roeiboot verder het strand op en loopt weg tussen de duinen.

Een lange wandeling wacht hem.