Loper op zand.
Het zand stuif in kleine wolkjes om de voeten van het kind.
Waar het kind ook kijkt, overal is zand.
Zand en zon en wind.
Het kind begint zachtjes een lied te zingen dat het heel lang geleden geleerd heeft.
Het is een lied over zand en over zon en over wind en over het verlangen naar water.
Waar het kind ook kijkt, overal is er alleen maar zand. En zon. En wind. Geen water.
Het kind draait een rondje, stopt en begint te lopen. Gewoon rechtdoor. Alsmaar rechtdoor.
De voeten van het kind laten het zand opstuiven.
Even blijft het zand in de lucht hangen als een doorzichtig gordijn.
Dan valt het terug op de grond. Anders dan het daarvoor was.
Het kind loopt rechtdoor en volgt de zon.
Het liedje nog steeds zingend loopt het kind eindeloos door.
Als de zon onder begint te gaan stopt het kind met lopen en rust uit.
Sterren verschijnen in het donker waar de zon niet meer schijnt.
Een ster straalt helderder dan de andere sterren.
Het kind staat op en loopt in de richting van de heldere ster.
Het kind kijkt omhoog en ziet daar de andere, ontelbare sterren.
De ontelbare sterren zijn als vrienden voor het kind.
Vrienden die er altijd zijn en waardoor je je nooit eenzaam voelt.
Het kind loopt door en begin weer te zingen.
Het lied gaat nu over vrienden en vrijheid en samenzijn.
Dan stop het kind aarzelend met zingen.
Aarzelend, omdat het iets heeft gehoord wat het nog niet kent.
Een nieuw geluid vult de oren van het kind.
Een nieuwe geur vult de neus van het kind.
Het proeft een nieuwe smaak in de lucht.
De vochtige lucht. Een zoete smaak. De smaak van water.
Het kind loopt door, terwijl de maan en de zon langzaam weer van plaats wisselen.
In de oranje ochtend verschijnen de eerste bomen die het kind ooit gezien heeft.
Dan voelt het iets raars en loopt het kind voor eerst op gras.
Nog voor het kind van diens verbazing bijgekomen is hoort het een naam.
Het is de naam van het kind.