Tags
Op de wijdse zee zit een man in een houten roeiboot.
Voor zover hij kan zien is er om hem heen alleen maar water.
De man zit stil, de roeispanen liggen in de boot.
De boot gaat op en neer op de onrustige golven.
De grijze wolken boven de zee zorgen ervoor dat er geen zonlicht is.
De enige geluiden komen van de golven die tegen de boot aan slaan.
Gestaag valt de nacht en nog steeds zit de man stil, in het midden van de boot op het houten bankje.
Langzaamaan begint het harder te waaien.
De wind trekt aan de kleding van de man.
Zijn haren wapperen over zijn hoofd.
De golven worden onrustiger.
Soms komt er zelfs een golf over de rand van de houten roeiboot.
De man zit nog steeds stil en beweegt mee op het ritme van de golven.
Als het helemaal donker is en niets meer te zien, boort er een lichtstraal door het duister.
En weer een.
En weer een.
Van links, naar rechts.
De man zit stil en kijkt naar de lichtstralen.
Langzaam pakt hij één roeispaan en steekt deze in de rechter dol.
Dan pakt hij de andere roeispaan en steekt deze in de linker dol.
De man kijkt nogmaals naar de lichtstralen die door het duister snijden.
Dan neemt hij de roeispanen in zijn handen en begint te roeien.
Het duurt even voordat hij een ritme heeft gevonden waarmee hij met de golfslag mee roeit en de roeispanen
niet meer in de lucht slaan.
Traag komt de roeiboot in beweging.
Het water in, het water uit. Het water in, het water uit.
De roeispanen zetten zich gelijktijdig af tegen de onstuimige golven.
De roeiboot krijgt iets meer vaart.
Na wat een oneindig lange tijd lijkt loopt de houten roeiboot vast op het strand.
De man blijft zitten.
Hij haalt de roeispanen uit de dollen en legt ze in de boot.
Dan stapt hij uit, trekt de roeiboot verder het strand op en loopt weg tussen de duinen.
Een lange wandeling wacht hem.