Het was niet de wens van de vrouw om in de bergen te gaan wonen.
Zij was gevlucht naar het eenzame land van steen en sneeuw toen anderen haar land innamen.
Met alleen dat wat zij kon dragen vluchtte zij.
Honger had haar lichaam mager gemaakt.
De zon en de wind hadden haar huid taai en bruin gemaakt.
Het vele lopen naar het water ver weg had haar voeten eeltig en ruw gemaakt.
Het harde werken in de onverbiddelijke aarde hadden haar vingers krom gemaakt.
Haar lange, onverzorgde haar was grijs, met hier en daar nog wat rood van vroeger.
Samen met een paar andere gevluchte vrouwen leefde zij in een klein dal.
Ver weg van de overheerser die haar toekomst onverbiddelijk kapot had gemaakt.
Samen zorgden zij voor elkaar.
De grotten die als huis dienden waren koud en vol ongedierte geweest toen zij aankwamen.
Diezelfde grotten waren een thuis geworden.
Een hard en kil thuis, ver van voedsel en warmte.
Uren moesten zij voorzichtig lopen voor wat brandhout en water.
Om zich heen spiedend of alles wel veilig was.
Niet altijd was alles veilig.
Zoals die ene keer dat er op hen geschoten werd en twee vrouwen nooit meer thuiskwamen.
Of toen er een wild beest in het bos was waar zij hout verzamelden.
De vrouw die aangevallen werd stierf drie dagen later in haar huis.
Weken hadden zij niet meer naar het bos gedurfd en in koude geleefd.
Samen hadden zij voor elkaar gezorgd door dicht tegen elkaar aan te zitten voor warmte.
Maar de kou was sterker en gedurende de winter bleven er steeds minder vrouwen over.
Eén voor één verloren de vrouwen het van de bittere kou.
Tot zij alleen was.
Na weken begon de sneeuw te smelten en raakte het laatste beetje voedsel op.
De vrouw verzamelde de spullen die zij nodig had en keek nog eenmaal achterom.
Zij nam afscheid van haar ongewenste huis.
Met twijfel in haar hart liep zij die ene kant op die zij nooit op was gegaan.
Langzaam liep zij de berg op.
Weg van haar huis, haar leven en haar moederland.
Met gebogen hoofd liep zij haar onbekende toekomst tegemoet.
Lang liep zij tot zij niet verder kon.
De bergen lagen weken achter haar.
Voor haar lag er een woestijn van water en zag zij een oude man.